ECLI:NL:CRVB:2021:1497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2021
Publicatiedatum
23 juni 2021
Zaaknummer
19/2268 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 PWArt. 32 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde stortingen en handel

In deze zaak gaat het om de intrekking en herziening van bijstand over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 30 november 2017. Het college van burgemeester en wethouders van Coevorden had bijstand teruggevorderd tot een bedrag van €22.321,74, omdat betrokkene zijn inlichtingenplicht zou hebben geschonden door niet te melden dat hij handelde in oud ijzer, auto's en dat er stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening plaatsvonden.

De rechtbank Noord-Nederland had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat zij oordeelde dat de stortingen en bijschrijvingen ten onrechte als inkomen waren aangemerkt. De rechtbank vond dat deze stortingen geen terugkerend of periodiek karakter hadden en daarom niet als inkomen konden worden beschouwd.

Het college ging in hoger beroep tegen dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de stortingen en bijschrijvingen wel als inkomen in de zin van de Participatiewet moeten worden aangemerkt, ook als ze niet periodiek zijn. Betrokkene had aangevoerd dat het om geleende bedragen ging, maar de Raad stelde vast dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Hierdoor was het college terecht uitgegaan van inkomen.

De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 20 juni 2018 ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

19.2268 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 april 2019, 18/2494 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 8 juni 2021
Zitting hebben: G.M.G. Hink, W.F. Claessens en P.W. van Straalen
Griffier: Y.S.S Fatni
Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Molema.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 20 juni 2018 ongegrond.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking dan wel de herziening van bijstand in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 30 november 2017. Het college heeft de over die periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van uiteindelijk € 22.321,74. Bij besluit van 20 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het college – na bezwaar voor zover hier van belang – de intrekking, herziening en terugvordering gehandhaafd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van handel in oud ijzer, autohandel en van stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening. In de maanden waarin het college heeft vastgesteld dat betrokkene heeft gehandeld in oud ijzer en in auto’s, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en wordt de bijstand ingetrokken. De stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening heeft het college in aanmerking genomen als inkomsten. Het college heeft die inkomsten in de betreffende maanden op de bijstand in mindering gebracht.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de bijstand van betrokkene terecht heeft ingetrokken. De rechtbank is echter van oordeel dat de herziening van de bijstand niet op een juiste en toereikende grondslag is gebaseerd omdat de stortingen en – zo begrijpt de Raad – de bijschrijvingen ten onrechte als inkomen zijn aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht. Het gaat in de periode van 28 augustus 2014 tot en met 24 november 2017 om dertien stortingen en bijschrijvingen zonder regelmaat in het tijdsverloop tussendoor en om stortingen en bijschrijvingen van diverse personen en om verschillende bedragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stortingen en bijschrijvingen geen terugkerend of periodiek karakter hebben en daarom niet als inkomen zijn aan te merken.
Het hoger beroep van het college richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank over de stortingen en bijschrijvingen. Daartoe heeft het college aangevoerd dat deze stortingen en bijschrijvingen als inkomen moeten worden aangemerkt.
Het hoger beroep van het college slaagt. Daartoe is het volgende van betekenis.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 32, eerste lid, van de Wet werk en bijstand – deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (PW) – (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr 3, blz. 58-59) valt af te leiden dat de bedoeling van de wetgever was dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals inkomsten uit arbeid en uitkeringen, en kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, als inkomen in aanmerking moeten worden genomen. Verder valt uit die geschiedenis af te leiden dat de wetgever niet heeft beoogd een uitputtende opsomming van de in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen te geven, maar om een aantal inkomensbronnen als voorbeeld te vermelden. De wetgever heeft daarbij benoemd dat ook eenmalig ontvangen bedragen die naar hun aard hiermee overeenkomen als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen. Dat eenmalig ontvangen bedragen ook als inkomen in aanmerking kunnen worden genomen is neergelegd in vaste rechtspraak (uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055).
Het ligt dan op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat het bij de stortingen en bijschrijvingen niet om inkomen in de zin van de PW gaat. Betrokkene is daarin niet geslaagd. Betrokkene heeft gesteld dat hij van derden bedragen heeft geleend om wat ruimer te leven omdat de bijstand geen vetpot is. De stelling van betrokkene dat het gaat om geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip.
Dit betekent dat het college de stortingen en bijschrijvingen terecht als inkomen heeft aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 20 juni 2018 ongegrond verklaren.
Voor een kostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) G.M.G. Hink