Uitspraak
20.966 ZW
drs. I.M. Veringmeier.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig logistiek manager, ontving sinds oktober 2017 een Ziektewetuitkering wegens lichamelijke en psychische klachten. Na een eerstejaars beoordeling door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn angststoornis onvoldoende was onderzocht, dat zijn fysieke beperkingen werden onderschat en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat er geen concrete medische gegevens waren die de angststoornis op de beoordelingsdatum ondersteunden.
De Raad vond dat de door appellant overgelegde medische stukken onvoldoende aanleiding gaven om de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen. Ook was er geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen, aangezien het beginsel van equality of arms niet was geschonden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.