Appellant, voormalig allround technisch monteur, meldde zich in 2014 ziek vanwege psychische klachten en ontving vanaf 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering. Hij vorderde een IVA-uitkering omdat hij zich volledig en duurzaam arbeidsongeschikt achtte. Het UWV weigerde dit op basis van medische rapporten die stelden dat behandeling mogelijk was en de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat medische behandelopties aanwezig waren en niet-medische factoren zoals huisvestingsproblemen buiten beschouwing moesten blijven bij de beoordeling van duurzaamheid. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde dat de niet-medische factoren, met name de problematische huisvestingssituatie, een belemmering vormden voor een effectieve behandeling. Gezien de langdurige psychische problematiek en de negatieve invloed van de leefomgeving op de klachten, concludeerde de Raad dat appellant op 28 februari 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.
Daarom vernietigde de Raad het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees zelf de IVA-uitkering toe met ingang van die datum. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.