ECLI:NL:CRVB:2021:1531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WAO-uitkering na medische en arbeidsdeskundige toetsing
Appellante, voormalig medewerker catering, vroeg een WAO-uitkering aan vanwege vermeende verslechterde hartklachten sinds 2008. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering omdat er per 18 maart 2003 geen sprake was van ziekte of gebrek volgens de WAO. Na een eerdere rechtbankuitspraak die het UWV opdroeg het bezwaar opnieuw te beoordelen, vond een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op per einde wachttijd, waarin beperkingen werden vastgesteld, maar de mate van arbeidsongeschiktheid werd berekend op 11,68%, onder de 15% grens voor recht op WAO.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat het UWV zich terecht baseerde op objectieve medische informatie. Appellante voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten en dat medische informatie onvolledig was, maar kon geen nieuwe medische gegevens overleggen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek en de beoordeling zorgvuldig en inzichtelijk waren gemotiveerd. De medische situatie per einde wachttijd en gedurende de Amber-periode vertoonde geen toename van beperkingen. De functies die ten grondslag lagen aan de arbeidsongeschiktheidsberekening waren medisch passend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellante heeft geen recht op een WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.