ECLI:NL:CRVB:2021:154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante was werkzaam als backoffice medewerkster en meldde zich ziek met klachten van Bellse parese. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze na een eerstejaars beoordeling omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
Na bezwaar en beroep werden aanvullende beperkingen vastgesteld door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, maar het UWV handhaafde het besluit tot beëindiging van de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies medisch geschikt.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar klachten onvoldoende waren onderkend, met name dat zij niet 40 uur per week zou kunnen werken. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de beperkingen passend waren vastgesteld en dat er geen medische grond was voor een urenbeperking.
De Raad concludeerde dat de Ziektewetuitkering terecht was beëindigd en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering van appellante.