Uitspraak
19.404 BBZ
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) om een bedrijf te starten in cloud- en internetdiensten. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht, mede vanwege een restschuld van €139.668,45 aan de ING bank. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de restschuld ten onrechte werd betrokken bij de beoordeling en dat de ING bank geen invorderingsmaatregelen zou nemen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat de bank zou afzien van invordering en dat de verwachting daarvan onvoldoende is. De rapporteur had op degelijke wijze toegelicht waarom het bedrijf niet levensvatbaar is.
De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 22 juni 2021.
Uitkomst: De aanvraag voor bijstand en bedrijfskapitaal wordt afgewezen wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf.