ECLI:NL:CRVB:2021:1554

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2021
Publicatiedatum
30 juni 2021
Zaaknummer
20/920 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 2.3.2 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College niet gehouden vervangende scootmobiel van aangepaste voetsteunen te voorzien

Appellant, met diverse beperkingen door letsel aan enkel en onderbeen, ontving van het college een scootmobiel. Na een verzoek om vervanging verstrekte het college een scootmobiel type Huka Classic Maxx, met een vervangende scootmobiel zonder aangepaste voetsteunen voor onderhoudsperiodes.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het ontbreken van voetsteunen in de vervangende scootmobiel geen passende bijdrage levert aan zijn zelfredzaamheid en participatie zoals bedoeld in de Wmo 2015.

De Raad oordeelde dat het college met het totale pakket aan voorzieningen, waaronder een vervoerspas voor collectief vervoer en de aangepaste scootmobiel, een passende bijdrage levert. Het ontbreken van voetsteunen in de vervangende scootmobiel leidt niet tot een onjuiste beslissing, mede omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij langdurig op de vervangende scootmobiel is aangewezen.

Daarom is het college niet gehouden de vervangende scootmobiel van voetsteunen te voorzien en wordt het hoger beroep afgewezen, waarmee de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: Het college is niet gehouden de vervangende scootmobiel van aangepaste voetsteunen te voorzien; het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

20.920 WMO15

Datum uitspraak: 30 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 januari 2020, 19/2983 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.S. Eisenberger, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Eisenberger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E.T. van der Fluit en C.E. Punt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is bekend met diverse beperkingen onder meer als gevolg van letsel aan zijn enkel en onderbeen. Vanwege deze beperkingen heeft het college hem onder meer een scootmobiel verstrekt. Op 28 november 2018 heeft appellant gevraagd om hem een andere scootmobiel te verstrekken.
1.2.
Bij besluit van 17 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 mei 2019 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een scootmobiel type Huka Classic Maxx verstrekt. Hierbij is bepaald dat een vervangende scootmobiel wordt verstrekt indien de scootmobiel langere tijd in reparatie moet blijven, waarbij rekening zal worden gehouden met het postuur van appellant. Verder is bepaald dat ter voorkoming van storingen twee keer per jaar preventief onderhoud zal worden uitgevoerd door de fabrikant, waarbij appellant de scootmobiel op de derde dag zal terugkrijgen. Op 1 februari 2019 is de scootmobiel bij appellant afgeleverd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant, voor zover nu nog van belang, aangevoerd dat het college met het verstrekken van een vervangende scootmobiel waarbij slechts rekening zal worden gehouden met zijn postuur en niet met de benodigde voetsteunen, geen passende bijdrage heeft geleverd aan zijn zelfredzaamheid en participatie.
3.2.
Het college heeft in verweer aangevoerd dat met het verstrekte pakket aan vervoersvoorzieningen, waaronder ook een pas voor collectief vervoer, een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van appellant is verstrekt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat in hoger beroep tussen partijen uitsluitend nog in geschil is of het college gehouden is de vervangende scootmobiel van aangepaste voetsteunen te voorzien.
4.2.
Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
4.3.
Het college heeft aan appellant een vervoerspas verstrekt, waarmee hij gebruik kan maken van het collectief vervoer. Hiernaast kan appellant gebruik maken van de door het college verstrekte scootmobiel van het type Huka Classic Maxx. Deze scootmobiel is aan de specifieke beperkingen van appellant aangepast. Indien appellant deze scootmobiel wegens onderhoud of reparatie een aantal dagen per jaar niet kan gebruiken, zal hij gebruik kunnen maken van een door het college verstrekte vervangende scootmobiel.
4.4.
Dat deze vervangende scootmobiel onder meer door het ontbreken van voetsteunen niet geheel zal zijn aangepast aan de specifieke beperkingen en behoeften van appellant betekent niet dat met het totale pakket van de aan hem verstrekte voorzieningen geen passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie is geleverd als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Dat appellant veel meer dan een aantal dagen per jaar zal zijn aangewezen op deze vervangende scootmobiel heeft hij niet aannemelijk gemaakt. De door appellant overgelegde stukken hebben betrekking op problemen met een vorige scootmobiel en ter zitting heeft hij verklaard dat hij zijn huidige scootmobiel nog geen dag heeft hoeven missen.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college niet gehouden is de vervangende scootmobiel van aangepaste voetsteunen te voorzien. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J.P.A. Boersma en R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) M. Stumpel