ECLI:NL:CRVB:2021:156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm in IOAW-uitkering niet in strijd met artikel 1 EP
Appellant ontving een IOAW-uitkering op basis van de kostendelersnorm omdat hij samenwoonde met zijn dochter die een eigen inkomen had. Hierdoor werd zijn uitkering verlaagd en viel zijn huurtoeslag weg vanwege het gezamenlijke inkomen. Appellant stelde dat de toepassing van de kostendelersnorm in zijn situatie onredelijk en disproportioneel was, omdat hij geen huurkostenvoordeel had maar juist een nadeel door het wegvallen van de huurtoeslag.
De Raad oordeelde dat het wegvallen van de huurtoeslag losstaat van de kostendelersnorm en dat de norm bedoeld is om de uitkeringsgrondslag af te stemmen op de gedeelde woonkosten. Het vermeende dubbele inkomensnadeel leidt niet tot een onevenredig zware last of strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol. Ook de financiële situatie van appellant, inclusief zijn maandelijkse kosten en inkomsten, rechtvaardigt geen andere conclusie.
Verder stelde appellant dat de kostendelersnorm leidt tot rechtsongelijkheid doordat het effect afhankelijk is van het inkomen van de medebewoner. De Raad verwierp dit standpunt omdat het wegvallen van huurtoeslag losstaat van de kostendelersnorm en deze ongelijkheid geen reden is om de norm niet toe te passen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toepassing van de kostendelersnorm bevestigd.