ECLI:NL:CRVB:2021:1585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende arbeidskundige onderbouwing verlaging Wajong-uitkering
Appellante, geboren in 1975, heeft een Wajong-uitkering vanwege een ernstige zichtbeperking en andere gezondheidsklachten. Het UWV heeft haar uitkering verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon op grond van een arbeidskundig oordeel dat zij de taak handmatig afwassen kan uitvoeren.
De rechtbank Rotterdam vernietigde het besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het UWV motiveerde in hoger beroep dat appellante de taak kan verrichten, waarbij de rechtbank oordeelde dat het ging om het afwassen van etensbakken, niet kattenbakken.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep betwist appellante dat zij de taak kan uitvoeren, mede vanwege haar zichtbeperking en osteoporose, en wijst op risico’s bij het terugplaatsen van de bakken in dierenverblijven.
De Raad stelt vast dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellante met haar beperkte zicht en de taakspecifieke eisen de taak kan uitvoeren. De visuele inspectie op korte afstand en het werken in een vaste omgeving zijn problematisch, zeker bij kattenbakken en dieren die loslopen.
De Raad draagt het UWV op het gebrek in het besluit binnen zes weken te herstellen, omdat het besluit niet voldoet aan de motiveringsvereisten van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op het gebrek in het besluit binnen zes weken te herstellen wegens onvoldoende onderbouwing van het arbeidsvermogen.