ECLI:NL:CRVB:2021:3072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wajong-uitkering ten onrechte verlaagd wegens onjuiste arbeidsvermogenbeoordeling
In deze zaak stond de vraag centraal of appellante terecht een verlaging van haar Wajong-uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon had gekregen. De rechtbank Rotterdam had eerder geoordeeld dat het besluit van het UWV in stand kon blijven, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak deels.
De Raad verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat appellante de taak handmatig afwassen niet kan uitvoeren vanwege haar zichtbeperking. Het UWV had onvoldoende gemotiveerd dat zij aan de taakspecifieke eisen voldeed, waardoor het bestreden besluit niet voldeed aan de vereiste arbeidskundige motivering volgens artikel 7:12 Awb Pro.
Het UWV heeft het gebrek niet hersteld en geen alternatieve passende taak geselecteerd. Hierdoor wordt aangenomen dat appellante op 1 januari 2018 geen arbeidsvermogen had zoals bedoeld in artikel 3:8a Wajong 2015. De Raad herroept het besluit van 7 februari 2017 en bepaalt dat de Wajong-uitkering onveranderd 75% van de grondslag bedraagt vanaf 1 januari 2018.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. De overige onderdelen van de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de Wajong-uitkering wordt herroepen en de uitkering blijft 75% van de grondslag vanaf 1 januari 2018.