ECLI:NL:CRVB:2021:3072

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2021
Publicatiedatum
9 december 2021
Zaaknummer
19/4325 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:8a Wajong 2015Art. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wajong-uitkering ten onrechte verlaagd wegens onjuiste arbeidsvermogenbeoordeling

In deze zaak stond de vraag centraal of appellante terecht een verlaging van haar Wajong-uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon had gekregen. De rechtbank Rotterdam had eerder geoordeeld dat het besluit van het UWV in stand kon blijven, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak deels.

De Raad verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat appellante de taak handmatig afwassen niet kan uitvoeren vanwege haar zichtbeperking. Het UWV had onvoldoende gemotiveerd dat zij aan de taakspecifieke eisen voldeed, waardoor het bestreden besluit niet voldeed aan de vereiste arbeidskundige motivering volgens artikel 7:12 Awb Pro.

Het UWV heeft het gebrek niet hersteld en geen alternatieve passende taak geselecteerd. Hierdoor wordt aangenomen dat appellante op 1 januari 2018 geen arbeidsvermogen had zoals bedoeld in artikel 3:8a Wajong 2015. De Raad herroept het besluit van 7 februari 2017 en bepaalt dat de Wajong-uitkering onveranderd 75% van de grondslag bedraagt vanaf 1 januari 2018.

Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. De overige onderdelen van de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de Wajong-uitkering wordt herroepen en de uitkering blijft 75% van de grondslag vanaf 1 januari 2018.

Uitspraak

19.4325 WAJONG

Datum uitspraak: 8 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
6 september 2019, 17/7270 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 1 juli 2021 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2021:1585.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 juli 2021 ingezonden.
Appellante heeft een zienswijze ingediend.
De Raad heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor de feiten en omstandigheden waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat.
1.2.
In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat appellante de taak handmatig afwassen (0303) niet kan uitvoeren. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat appellante met haar zichtbeperking aan de taakspecifieke eisen kan voldoen. De geselecteerde taak is daarom niet passend geacht. Het bestreden besluit is niet van een toereikende arbeidskundige motivering voorzien en is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv is opgedragen het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.3.
Met het rapport van 26 juli 2021, waarin de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volhardt in de geschiktheid van de taak handmatig afwassen, heeft het Uwv het gebrek in het bestreden besluit niet hersteld. Het Uwv heeft geen andere taak voor appellante geselecteerd. Het wordt ervoor gehouden dat het Uwv geen andere passende taak voor appellante kon selecteren. Dit betekent dat appellante op 1 januari 2018 niet beschikte over arbeidsvermogen als bedoeld in artikel 3:8a van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). Het Uwv heeft bij besluit van 7 februari 2017, gehandhaafd bij besluit van
17 november 2017 (het bestreden besluit), de Wajonguitkering van appellante ten onrechte met ingang van 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.
1.4.
Uit 1.2 en 1.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt het besluit van 7 februari 2017 herroepen en bepaald dat de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 onveranderd 75% van de grondslag bedraagt. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
2. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 1.870,- (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de zienswijze, met een waarde per punt van € 748,-). Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 november 2017 in stand blijven;
- herroept het besluit van 7 februari 2017;
- bepaalt dat de Wajong-uitkering van appellante per 1 januari 2018 75% van de grondslag bedraagt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 november 2017;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.870,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van N.N. Gambier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2021.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) N.N. Gambier