ECLI:NL:CRVB:2021:1594

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2021
Publicatiedatum
2 juli 2021
Zaaknummer
20/1186 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij maatwerkvoorziening Wmo 2015

Appellante, bekend met een verstandelijke beperking en chronische stemmingsklachten, ontving in 2017 en 2018 maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015. In 2019 verstrekte het college aan appellante maatwerkvoorzieningen voor ondersteuning zelfredzaamheid voor verschillende periodes en uren per week.

Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van april 2019 over de omvang van de toegekende uren, maar het college verklaarde deze bezwaren ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees op het medisch advies en huisbezoeken als onderbouwing van de toekenning van 6 uur per week ondersteuning.

In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zij recht had op meer uren ondersteuning. De Raad onderzocht ambtshalve of appellante voldoende procesbelang had, hetgeen vereist is om ontvankelijk te zijn.

De Raad oordeelde dat het geschil ziet op een reeds verstreken periode en dat geen belang bestond bij een inhoudelijke beoordeling, omdat appellante inmiddels een nieuwe aanvraag heeft ingediend en het college een nieuwe beoordeling zal uitvoeren. Ook was geen betalingsverplichting ontstaan. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.

Uitspraak

20.1186 WMO15

Datum uitspraak: 23 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
14 februari 2020, 19/4808 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante en het college hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Rhodes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.M. van der Wielen en T. Verhake.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1967, is bekend met een verstandelijke beperking en chronische stemmingsklachten. In 2017 en 2018 heeft het college aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) maatwerkvoorzieningen verstrekt, te weten 19 uur per week ondersteuning zelfredzaamheid en 2 uur per week hulp in het huishouden, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.2.
Bij besluit van 17 april 2019 heeft het college aan appellante een maatwerkvoorziening ondersteuning zelfredzaamheid 1 verstrekt, voor 17 uur per week voor de periode van
1 januari 2019 tot 1 mei 2019, in de vorm van een pgb.
1.3.
Bij besluit van 18 april 2019 heeft het college aan appellante voor de periode van 1 mei 2019 tot 30 oktober 2019 een maatwerkvoorziening ondersteuning zelfredzaamheid, niveau 1, verstrekt voor 6 uur per week, in de vorm van een pgb
.
1.4.
Bij besluit van 1 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 17 en 18 april 2019 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit het medisch advies van Ausems en Kerkvliet van 13 januari 2019 duidelijk blijkt hoe de medisch adviseur het onderzoek heeft gedaan en op basis waarvan de medisch adviseur tot zijn conclusies is gekomen. Appellante heeft zelf geen (medische) informatie overgelegd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat zij meer (medische) beperkingen heeft. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op basis van dit medisch advies, de huisbezoeken en de gemaakte plannen tot de conclusie heeft kunnen komen dat appellante op grond van de Wmo 2015 voor 6 uur per week zorg en ondersteuning in aanmerking komt.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat aan haar meer uren ondersteuning hadden moeten worden toegekend.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Allereerst moet ambtshalve de vraag worden beantwoord of appellante voldoende procesbelang heeft. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Raad van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
4.2.
Het geschil betreft de beoordeling van een reeds verstreken periode. Niet gebleken is dat een inhoudelijk oordeel over de in geschil zijnde maatwerkvoorziening nog van belang kan zijn voor een verstrekking van een maatwerkvoorziening in de toekomst. Daartoe wordt overwogen dat ter zitting kenbaar is gemaakt dat de gezondheidssituatie van appellante is verslechterd en zij inmiddels een nieuwe aanvraag om een maatwerkvoorziening heeft ingediend. Het college zal, zoals ter zitting verklaard, een geheel nieuwe beoordeling verrichten met inachtneming van de op dat moment geldende regelgeving. Verder is niet gebleken dat een betalingsverplichting voor appellante is ontstaan vanwege aan haar geleverde ondersteuning. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellante enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
4.3.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H. Benek en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) M.E. van Donk