ECLI:NL:CRVB:2021:161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van de Griend
- J.T.H. Zimmerman
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag faillissementsuitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant vroeg een faillissementsuitkering aan wegens betalingsonmacht van zijn vermeende werkgever, een besloten vennootschap. Het UWV verstrekte aanvankelijk een voorschot, maar stelde later een onderzoek in naar de dienstbetrekking. Op basis van onduidelijkheden over loonbetalingen, arbeidsovereenkomst en zelfstandige presentatie van appellant, wees het UWV de aanvraag af en vorderde het het voorschot terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd gewezen op tegenstrijdigheden in de loonstroken, het ontbreken van feitelijke loonbetaling en het gebruik van eigen vrachtwagen en vergunning. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV de bewijslast draagt, maar de Raad oordeelde dat bij een aanvraagbesluit de aanvrager de bewijsvoering moet leveren.
De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat appellant niet met verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De terugwerkende kracht van de aanmelding in de polisadministratie, het ontbreken van loonbetalingen en de zelfstandige presentatie van appellant roepen twijfel op die niet is weggenomen.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag faillissementsuitkering is terecht afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot de werkgever.