ECLI:NL:CRVB:2021:1633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen bij laattijdige aanvraag
Appellant heeft na zijn achttiende levensjaar een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, welke door het UWV is afgewezen wegens het bezit van arbeidsvermogen. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd na zorgvuldige beoordeling van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij op zijn achttiende geen arbeidsvermogen had en dat het UWV ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar zijn medische situatie vijf en tien jaar na zijn achttiende verjaardag. Tevens stelde hij dat zijn combinatie van cognitieve, psychiatrische en lichamelijke problemen onvoldoende is meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep volgt het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen zijn dat het arbeidsvermogen van appellant is onderschat. De Raad oordeelt dat appellant niet voldoet aan de criteria om als jonggehandicapte te worden aangemerkt op grond van de Wajong, ook niet bij beoordeling van de laattijdige aanvraag.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd wegens het bezit van arbeidsvermogen.