ECLI:NL:CRVB:2021:1635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als huishoudelijk medewerkster, heeft een WIA-uitkering aangevraagd wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij slechts voor 8,71% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen aanvullende medische informatie bij haar behandelaars op te vragen en dat het beginsel van equality of arms was geschonden. Daarnaast stelde zij dat haar beperkingen waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen.
De Raad concludeerde dat er geen nieuwe medische informatie was die het standpunt van appellante ondersteunde en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had gemotiveerd. Er was geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.