ECLI:NL:CRVB:2021:1636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid
Appellante ontving sinds 1 januari 2006 naast haar WAO-uitkering inkomsten uit drie vennootschappen, welke zij bij de Belastingdienst als inkomsten uit arbeid heeft opgegeven. Het UWV herzag daarom haar uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, inclusief een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante voor zover gericht tegen herziening en terugvordering niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de boete en gewijzigde herziening ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij geen inkomsten uit arbeid had genoten, maar slechts huurrendement, en dat sprake was van een administratieve vergissing.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de fiscale keuze van appellante doorslaggevend is, tenzij bijzondere omstandigheden aantoonbaar zijn. Appellante slaagde er niet in dergelijke omstandigheden aan te tonen. Ook het standpunt dat het UWV een onderzoeksplicht had, en dat de terugvordering wegens termijnoverschrijding onrechtmatig was, wordt verworpen.
De Raad bevestigt de herziening, terugvordering en boete, en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.