ECLI:NL:CRVB:2021:1656

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2021
Publicatiedatum
9 juli 2021
Zaaknummer
19/5361 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 6 Beleidsregel individuele bijzondere bijstand Heerlen 2018Zorgverzekeringswet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bijzondere bijstand voor tandheelkundige zorg en koelkastkosten

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor tandheelkundige zorg en de aanschaf van een koelkast. Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een voorliggende en passende voorziening geldt voor medische kosten, waaronder tandheelkundige zorg. Daarnaast waren de kosten van de koelkast al voldaan op het moment van aanvraag, waardoor bijzondere bijstand daarvoor niet mogelijk was.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant de tandartskosten volledig had kunnen vergoeden via de gemeentelijke collectieve zorgverzekering, waartoe hij vanwege een betalingsachterstand niet had kunnen toetreden. Er was geen sprake van medische noodzaak of bijzondere omstandigheden die bijzondere bijstand rechtvaardigen. De rechtbank bevestigde ook dat bijzondere bijstand voor de koelkastkosten niet mogelijk was omdat deze al betaald waren.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder dat hij aanvullend verzekerd was en dat het college hem niet kon verplichten een bepaalde zorgverzekering te kiezen. De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen en bevestigde daarom de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen bijzondere bijstand wordt toegekend voor tandartskosten en reeds betaalde koelkastkosten.

Uitspraak

19 5361 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 6 juli 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 november 2019, 19/646 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.P. Voragen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2021. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Konen, die door middel van videobellen aan de zitting heeft deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 7 juni 2018 bij het college een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van tandheelkundige zorg en de kosten van een koelkast.
1.2.
Bij besluit van 8 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft aan bestreden besluit ten grondslag dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor de kosten van tandheelkundige zorg omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een aan de Participatiewet (PW) voorliggende, passende en toereikende voorziening moet worden beschouwd. Wat betreft de kosten van de koelkast heeft het college overwogen dat hiervoor geen bijzondere bijstand kan worden verleend, omdat de kosten op het moment van de aanvraag al door appellant waren voldaan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de Zvw voor de kosten van medische zorg als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening moet worden beschouwd. Verder heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat vergoeding van de kosten voor tandheelkundige zorg op grond van gemeentelijk beleid evenmin mogelijk is. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Beleidsregel individuele bijzondere bijstand Heerlen 2018 moet bij medische kosten worden uitgegaan van de vergoeding die op grond van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering mogelijk is en kan, als de gemeentelijke collectieve zorgverzekering bepaalde medische kosten niet (geheel) dekt, bijzondere bijstand worden toegekend als sprake is van een medische noodzaak en bijzondere (medische) omstandigheden. Uit het vergoedingenoverzicht van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering is gebleken dat appellant de kosten voor tandheelkundige zorg volledig vergoed had kunnen krijgen, indien hij had deelgenomen aan de gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Dat appellant vanwege een betalingsachterstand geen gebruik heeft kunnen maken van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering komt voor zijn risico en maakt dus niet dat er geen sprake is van een passende, voorliggende voorziening. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat sprake was van een medische noodzaak of bijzondere (medische) omstandigheden, nu uit de factuur die bij de aanvraag is gevoegd, blijkt dat de kosten van tandheelkundige zorg betrekking hebben op een periodieke controle, waarbij het gebit van appellant is gereinigd. Wat betreft de kosten van de koelkast heeft de rechtbank met het college overwogen dat de kosten ten tijde van de aanvraag al waren voldaan en dat om die reden op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW geen recht bestaat op bijzondere bijstand voor deze kosten.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat zowel de tandartskosten als de kosten voor een koelkast onvermijdelijk en noodzakelijk waren. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst appellant naar de als bijlage bij de aanvraag overgelegde verklaring van zijn budgetbeheerder van 6 juni 2018. Specifiek over de tandartskosten heeft appellant betoogd dat het college hem niet kan verplichten bij welke zorgverzekering hij verzekerd is en dat hij aanvullend verzekerd is. Daarbij komt dat appellant een betalingsachterstand had, waardoor hij niet kon wisselen van zorgverzekering.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2021.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) B.H.B. Verheul