ECLI:NL:CRVB:2021:170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs verblijf en arbeid in Nederland
Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij tussen 1971 en 1976 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Ter onderbouwing heeft hij diverse verklaringen en een Certificat d’individualité overgelegd, maar deze documenten konden niet verifiëren dat hij dezelfde persoon is als degene die in Nederland verbleef.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af wegens het ontbreken van bewijs van verblijf en arbeid in Nederland. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de Svb zorgvuldig onderzoek had verricht. Appellant stelde in hoger beroep dat hij recht heeft op het pensioen, maar kon geen aanvullend bewijs leveren.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Zonder een Acte de Concordance of ander verifieerbaar bewijs kan niet worden vastgesteld dat appellant dezelfde persoon is als degene die in Nederland woonde of werkte. Het onderzoek van de Svb wordt niet onzorgvuldig geacht. De afwijzing wordt bevestigd en er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag voor AOW-pensioen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verblijf en arbeid in Nederland.