Appellante, die samenwoonde met haar echtgenoot en zoon, verloor haar echtgenoot in 2016. Zij ontving tot november 2017 een WAO-uitkering en kreeg daarna een ouderdomspensioen toegekend. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees een nabestaandenuitkering af vanwege het inkomen van appellante en toepassing van de kostendelersnorm.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. Appellante stelde dat zij recht had op nabestaandenuitkering vanaf het overlijden van haar echtgenoot en dat de kostendelersnorm onterecht werd toegepast. Ook betwistte zij de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw op haar ouderdomspensioen.
De Raad oordeelde dat de Svb terecht de nabestaandenuitkering niet met terugwerkende kracht toekende en de WAO-uitkering volledig in mindering bracht. De kostendelersnorm moest worden toegepast omdat appellante met haar zoon een gezamenlijke huishouding voerde. Persoonlijke omstandigheden en financiële problemen gaven geen grond om hiervan af te wijken.
Verder bevestigde de Raad dat het ouderdomspensioen conform de wet is toegekend en dat de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw wettelijk verplicht is, ook naast de nominale premie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.