Uitspraak
15 februari 2019, 18/1562 en 18/1564 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
1. van 1 november 2015 tot en met 3 maart 2016;
7.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf mei 2015. Uit onderzoek bleek dat hij meerdere periodes tussen november 2015 en juni 2017 op Sint Maarten verbleef zonder dit aan het Uwv te melden, behalve een enkele e-mail in juli 2016. Het Uwv herzag daarop de uitkering en vorderde €35.030,08 terug wegens onverschuldigde betalingen. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat Sint Maarten geen Nederland is en dat verblijf daar invloed heeft op de uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gedaan die appellant mochten doen geloven dat melding niet nodig was. De boete werd als evenredig beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de informatie van het Uwv onduidelijk was, met name door een verwijzing naar Malta in e-mails, en dat hij daarom geen verwijt treft. De Raad verwierp dit, stellende dat de verwijzing een kennelijke verschrijving was en dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden.
De Raad bevestigde het oordeel dat de herziening en terugvordering terecht zijn en dat de boete proportioneel is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering en de opgelegde boete wegens schending van de inlichtingenplicht.