Appellant, met een spastische linker lichaamshelft en bijkomende beperkingen, ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €55.621,17 voor AWBZ-zorg. Het zorgkantoor stelde dit budget later vast op €8.624,46 en vorderde €46.996,71 terug wegens onvoldoende verantwoorde zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, verwijzend naar eerdere jurisprudentie waarin zorg van de zorgverlener De Holist deels niet als AWBZ-zorg werd aangemerkt. Appellant voerde hoger beroep en stelde dat het gehele pgb aan AWBZ-zorg was besteed, maar kon door zijn beperkingen geen gedetailleerdere verantwoording geven.
De Raad oordeelde dat een deel van de zorg, zoals groepsbegeleiding en rouwverwerking, terecht niet als AWBZ-zorg werd erkend. Echter, gezien de omstandigheden en eerdere erkenning van vergelijkbare zorg in 2015, achtte de Raad het onredelijk om appellant de volledige gevolgen van de gebrekkige verantwoording te laten dragen.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit, stelde het pgb vast op €18.136,71 en bevestigde een terugvordering van €37.484,46. De financiële situatie van appellant rechtvaardigde geen opschorting van de terugvordering, maar hij kan wel een betalingsregeling aanvragen. Tevens werd het zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten.