ECLI:NL:CRVB:2021:1803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wettelijke ontslagleeftijd van 70 jaar voor rechters geen verboden leeftijdsdiscriminatie
Appellant, een rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Amsterdam, werd op grond van de wettelijke leeftijdsgrens van 70 jaar eervol ontslagen. Hij stelde bezwaar tegen deze maatregel en voerde aan dat deze leeftijdsgrens een verboden leeftijdsonderscheid inhoudt en niet langer gerechtvaardigd is gezien de gestegen levensverwachting en het beleid van langer doorwerken.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de wettelijke leeftijdsgrens twee legitieme doelen dient: het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en het bevorderen van doorstroming binnen de rechterlijke organisatie. De Raad bevestigde dat deze doelen objectief gerechtvaardigd zijn en dat de maatregel passend en noodzakelijk is, mede omdat de leeftijdsgrens hoger ligt dan de AOW-leeftijd en rechterlijk ambtenaren na hun pensionering nog kunnen doorwerken.
De Raad verwierp het betoog dat de leeftijdsgrens niet meer actueel is door gestegen levensverwachting en het beleid van langer doorwerken. Ook vond de Raad dat de tijdelijke verhoging van de leeftijdsgrens tot 73 jaar vanwege COVID-19 een uitzonderlijke maatregel betreft die de algemene rechtmatigheid van de leeftijdsgrens niet aantast.
Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de wettelijke leeftijdsgrens blijft gehandhaafd als een legitiem en proportioneel middel binnen het kader van het Unierecht en de nationale wetgeving.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot ontslag op grond van de leeftijdsgrens van 70 jaar wordt ongegrond verklaard.