ECLI:NL:CRVB:2021:1822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Wajong-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid
Appellante ontving sinds december 2014 een Wajong-uitkering. In 2018 meldde zij dat zij was gaan werken, waarna het UWV ontdekte dat zij vanaf augustus 2016 tot augustus 2018 bij meerdere werkgevers inkomsten had genoten zonder dit te melden. Het UWV herzag de uitkering en vorderde een bedrag van €5.901,22 terug.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat de zesmaandenjurisprudentie van toepassing was en dat het UWV bekend was met eerdere inkomsten, waardoor zij niet verplicht was dit te melden. Zowel het UWV als de rechtbank verklaarden het bezwaar ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de wettelijke verplichting tot terugvordering geldt en dat de zesmaandenjurisprudentie sinds de wettelijke regeling niet meer van toepassing is. De appellant is gehouden om uit eigen beweging alle relevante feiten te melden, ongeacht of het UWV via Suwinet gegevens kan achterhalen. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de Wajong-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid.