Appellant ontvangt sinds 2013 een Wajong-uitkering van 75% van het wettelijk minimumloon (WML) op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2016 verzocht hij om een verhoging naar 85% van het WML wegens hulpbehoevendheid. Het UWV wees dit verzoek af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden, wat door de rechtbank werd bevestigd in 2017.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel hulp nodig heeft bij essentiële levensverrichtingen zoals douchen en aankleden, ondanks dat hij deze lichamelijk kan uitvoeren. De Raad overwoog dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant persoonlijk had onderzocht en concludeerde dat geen feitelijke hulp nodig is bij deze activiteiten. Ook ontbraken medische gegevens die het AWBZ-indicatiebesluit ondersteunen.
De Raad oordeelde dat appellant voldoet aan de voorwaarde van geregelde oppassing, maar niet aan die van geregelde verzorging zoals vereist voor de verhoging. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van het UWV bevestigd. Daarnaast werd appellant een schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.