Appellant, laatst werkzaam als brandwacht, meldde zich ziek met hartklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant niet zijn eigen werk kon verrichten, maar wel geschikt was voor andere functies waarmee hij meer dan 100% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het UWV beëindigde daarop de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat rekening was gehouden met beperkingen zoals een ICD en het vermijden van magnetische velden. De arbeidsdeskundigen hadden passende functies geselecteerd en voldoende toegelicht waarom deze geschikt waren.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat beperkingen werden onderschat, met name op het gebied van handelingstempo en sociaal functioneren. Ook stelde hij dat de arbeidsdeskundigen onvoldoende motiveerden waarom de functies geschikt waren en dat het aantal beschikbare arbeidsplaatsen onduidelijk was.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de motivering van de functieselectie voldoende was. De opleiding tot beveiliger van appellant maakte geen verschil omdat deze functie niet was geselecteerd. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.