ECLI:NL:CRVB:2021:1899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging pensioenleeftijd en hoogte ouderdomspensioen op grond van AOW
Appellant, geboren in 1953, verhuisde eind 1998 of begin 1999 van Nederland naar Frankrijk en vroeg op 10 februari 2019 een ouderdomspensioen aan op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem op 4 maart 2019 een ouderdomspensioen toe met ingang van 8 mei 2019, vastgesteld op 60% van het maximale pensioen vanwege een pensioenleeftijd van 66 jaar en vier maanden.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat hij recht had op een hoger pensioen en dat de pensioenleeftijd onterecht was verhoogd. Hij voerde aan dat de datum van vertrek uit Nederland onjuist was vastgesteld en dat hij op een gerechtvaardigde verwachting mocht vertrouwen dat hij vanaf 1 januari 2018 pensioen zou ontvangen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de pensioenleeftijd terecht was verhoogd conform de wetgeving en dat de hoogte van het pensioen correct was vastgesteld. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat appellant geen concrete gronden heeft aangevoerd voor een onevenredige last of schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
De Raad concludeert dat de pensioenleeftijd van appellant terecht is vastgesteld op 66 jaar en vier maanden en dat de hoogte van het ouderdomspensioen correct is vastgesteld op 60%. Ook het beroep op automatische toewijzing na twaalf maanden wordt verworpen wegens gebrek aan rechtsgrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De pensioenleeftijd en hoogte van het ouderdomspensioen zijn terecht vastgesteld en het beroep wordt ongegrond verklaard.