ECLI:NL:CRVB:2021:1903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2021
Publicatiedatum
2 augustus 2021
Zaaknummer
20/1640 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De Centrale Raad van Beroep had het hoger beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht. Na een gegrond verklaard verzet werd appellante een nieuwe termijn gegund om het griffierecht te voldoen.

Ondanks een herinnering per aangetekende brief is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald. De Raad oordeelt dat appellante in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk zonder verdere inhoudelijke behandeling.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, op 29 juli 2021.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 29 juli 2021
20/1640 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
30 maart 2020, 19/2472
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Stichting Zorgkantoor Menzis

PROCESVERLOOP

De Raad heeft bij uitspraak van 23 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2262) het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 maart 2020, 19/2472 niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft bij uitspraak van 3 maart 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:475) het verzet gegrond verklaard en overwogen dat de uitspraak van de Raad van 23 september 2020 vervalt, dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond en dat aan de gemachtigde van appellante een nieuwe termijn zal worden gegund voor het voldoen van het griffierecht.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij aangetekende brief van 11 maart 2021 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2021.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) K.R. van Renswoude
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.