ECLI:NL:CRVB:2021:1914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit na eerste ziektejaar
Appellante was werkzaam als chauffeur en ontving sinds augustus 2017 een Ziektewetuitkering wegens zwangerschap gerelateerde klachten. Na een eerstejaars beoordeling door het UWV werd vastgesteld dat zij met beperkingen nog 93,2% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarop haar uitkering per 17 november 2018.
Appellante maakte bezwaar, waarna het UWV de beperkingen en passende functies opnieuw beoordeelde en haar uitkering per 6 april 2019 beëindigde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld, rekening houdend met haar depressie, paniekstoornis en agorafobie.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat de medische beoordeling onjuist was en dat de verzekeringsarts meer informatie had moeten opvragen bij de behandelend sector. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was en dat er geen aanleiding was voor aanvullende informatie. De arbeidsdeskundige had bovendien toegelicht dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.