ECLI:NL:CRVB:2021:1948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvullende tegemoetkoming reiskosten militair in ploegendienst
Appellant, een beroepsmilitair werkzaam in ploegendienst en gehuisvest door de rijksoverheid, verzocht om een aanvullende tegemoetkoming in reiskosten op grond van de Regeling incidentele reizen. Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant reeds een forfaitaire tegemoetkoming ontvangt op grond van artikel 20 van Pro het Verplaatsingskostenbesluit defensie (VKBD), die voorziet in vergoeding voor vier reizen per vier weken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de forfaitaire regeling geen rekening houdt met het werkelijk aantal reizen en dat appellant niet wordt gedwongen meer te reizen dan waarvoor vergoeding wordt verstrekt. In hoger beroep stelde appellant dat hij aanspraak zou moeten maken op vergoeding voor extra reizen, omdat de forfaitaire regeling slechts ziet op vier reizen per vier weken.
De Raad oordeelde dat artikel 20 VKBD Pro een forfaitaire regeling is en dat artikel 3 van Pro de Regeling incidentele reizen alleen geldt voor militairen die geen tegemoetkoming op grond van het VKBD ontvangen. De Raad verwierp het beroep van appellant en wees ook het beroep op een eerdere afwijkende interpretatie van de staatssecretaris af, omdat geen vaste gedragslijn bestond. Ook de vergelijking met de tijdelijke situatie van binnenslapers werd niet gevolgd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvullende tegemoetkoming bevestigd.