ECLI:NL:CRVB:2021:1949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verjaring smartengeldvordering wegens gehoorschade politieambtenaar
Appellant, een politieambtenaar die van 1981 tot 1985 als vuurwapendocent werkte, vroeg smartengeld wegens gehoorschade vastgesteld in 1985. De korpschef wees dit verzoek af vanwege verjaring. De rechtbank oordeelde dat de absolute verjaringstermijn van 20 jaar was verstreken en dat geen reden bestond om op grond van redelijkheid en billijkheid hiervan af te wijken.
In hoger beroep stond de vraag centraal of de relatieve verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing was. De Raad overwoog dat aansluiting bij artikel 3:310 BW Pro passend is, waarbij de verjaring begint zodra de benadeelde bekend is met de schade en de aansprakelijke instantie.
Uit het medisch rapport en de eigen verklaringen van appellant bleek dat hij al in 1985 bekend was met de gehoorschade en tinnitus, en daarmee ook met de oorzaak. De verjaringstermijn begon toen te lopen, zodat de vordering in 2018 te laat werd ingediend.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat de redelijkheid en billijkheid zich niet verzetten tegen het beroep op verjaring door de korpschef. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De vordering tot smartengeld is verjaard en het beroep wordt ongegrond verklaard.