ECLI:NL:CRVB:2021:1961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2014 ziek met psychische klachten en vroeg in 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het medisch oordeel en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) onderschreef.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name psychische stoornissen zoals borderline en obsessief-compulsief, onvoldoende waren meegenomen en verzocht om een onafhankelijke deskundige. Een nieuw expertiserapport leidde tot een aangepaste FML met extra beperkingen, maar het UWV bleef bij zijn oordeel dat de geselecteerde functies passend zijn.
De Raad concludeert dat het medisch oordeel en de aangepaste FML juist zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen zijn onderschat. De stelling van appellante over de ongeschiktheid voor bepaalde functies wordt niet gevolgd. Het UWV heeft terecht de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35% en de uitkering geweigerd. Ondanks een motiveringsgebrek in het bestreden besluit wordt dit gepasseerd omdat het besluit niet anders zou zijn uitgevallen. De proceskosten worden aan het UWV opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV heeft terecht geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.