Uitspraak
16.6041 WIA
mr. E.J.S. van Daatselaar.
OVERWEGINGEN
M. Vermeiden, van 26 februari 2018 en 21 maart 2018 van neuroloog S.C. Li, van 13 juni 2016 van orthopedisch chirurg E.M. Nelissen en van 24 mei 2018 van fysiotherapeut
E. van Buijtenen. Appellante heeft vermeld dat het Uwv haar inmiddels per 1 december 2017 een IVA-uitkering heeft toegekend. Appellante heeft herhaald dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen. Zij heeft ook gesteld dat de in het CBBS bij de functies leerplichtambtenaar (SBC-code 763071), inkoper (SBC-code 516150) en arbeidsbemiddelaar, personeelsfunctionaris (SBC-code 763100) vermelde opleidings- en ervaringseisen ongeloofwaardig zijn en niet kunnen kloppen. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1259) en een arrest van de Hoge Raad (HR) van 17 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1316) heeft appellante betoogd dat het CBBS, met name door het alleen vermelden van functienummers van functies zonder naam- en adresgegevens van werkgevers, niet inzichtelijk en niet controleerbaar is. Daarmee is volgens appellante sprake van strijdigheid met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het beginsel van equality of arms. Appellante heeft de Raad verzocht het Uwv de namen en adressen van de werkgevers van de geselecteerde functies te laten verstrekken, alsmede informatie over de wijze waarop het CBBS door de arbeidsdeskundige wordt bevraagd, bijvoorbeeld in de vorm van zogenaamde screen prints.
IVA-uitkering heeft toegekend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop gereageerd in een rapport van 10 augustus 2018 en daarin vermeld dat appellante in mei 2018 is gezien door een verzekeringsarts, nadat zij een toename van beperkingen had geclaimd per 1 december 2017, en dat de datum 1 december 2017 ver na de datum in geding van 14 mei 2015 ligt. Uit het rapport van de verzekeringsarts die de toegenomen beperkingen heeft beoordeeld blijkt dat inmiddels bij appellante psychische klachten zijn ontstaan en artrose van de rechterpols. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat appellante jaren eerder op 10 maart 2015 is gezien door de verzekeringsarts, dat in de anamnese niet werd gesproken over psychische klachten en dat bij psychisch onderzoek geen afwijkende bevindingen naar voren kwamen. De ingebrachte informatie van de psycholoog en psychiater dateert van drie jaar na de datum in geding en heeft geen aanleiding gegeven om op de datum in geding aanvullende beperkingen in de psychische belastbaarheid aan te nemen. Dat geldt ook voor de ingebrachte informatie van de orthopedisch chirurg uit 2016. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigt deze informatie de reeds bekende situatie aan de rechterschouder, die werd meegewogen bij de vaststelling van de belastbaarheid per 14 mei 2015. In de aangeleverde informatie van de neuroloog is vermeld dat sprake is van degeneratieve afwijkingen cervicaal zonder tekenen van wortelcompressie aan de rechterkant, waarmee deze afwijkingen de klachten niet kunnen verklaren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat appellante bekend is met een oude laesie van het plexus brachialis rechts, waaraan ook beperkingen werden verbonden. De informatie van de neuroloog heeft geen aanleiding gegeven om aanvullende beperkingen in de belastbaarheid aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hiermee toereikend en inzichtelijk gemotiveerd dat de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen over de beperkingen van appellante op 14 mei 2015.
2015-2021 (PAS) en het rekeninstrument AERIUS ten grondslag liggen. In 14.3 van de uitspraak is overwogen dat het PAS en het daarbij verplicht gebruikte softwarepakket AERIUS het risico met zich brengt dat de deels geautomatiseerde besluitvorming op grond daarvan niet inzichtelijk en controleerbaar is vanwege een gebrek aan inzicht in de gemaakte keuzes en de gebruikte gegevens en aannames. Ter voorkoming van een ongelijkwaardige procespositie heeft de ABRvS overwogen dat op de betrokken ministers en staatssecretaris de verplichting rust dat de gemaakte keuzes en gebruikte gegevens en aannames volledig, tijdig en uit eigen beweging openbaar en op een passende wijze voor derden toegankelijk moeten zijn, zodat reële rechtsbescherming mogelijk is en de rechter in staat is de rechtmatigheid van de besluiten te toetsen (14.4). In het arrest van de HR van 17 augustus 2018 is, met verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS, geoordeeld dat wanneer het besluit geheel of ten dele het resultaat is van een geautomatiseerd proces, zoals de modelmatige waardebepaling in het kader van de Wet WOZ, en de belanghebbende de juistheid van de bij dat geautomatiseerde proces gemaakte keuzes en van de daarbij gebruikte gegevens en aannames wil controleren en zo nodig gemotiveerd betwisten, het bestuursorgaan moet zorgdragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van die keuzes, aannames en gegevens. Zonder die inzichtelijkheid en controleerbaarheid dreigt een ongelijkwaardige procespositie van partijen te ontstaan (2.3.3).
BESLISSING
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019.