Appellante ontving een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015) en maakte bezwaar tegen de hoogte van de vergoeding voor rechtsbijstandskosten in bezwaar. Het college verhoogde de vergoeding na het instellen van beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze beslissing, stellende dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling had uitgesproken en dat het griffierecht vergoed moest worden.
De Centrale Raad oordeelde dat de rechtbank had moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht, ook al was het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze naliet het college te veroordelen en matigde de proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De Raad veroordeelde het college tot betaling van € 935,- aan proceskosten en € 178,- aan griffierecht aan appellante. Hiermee werd appellante op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk gesteld, maar met volledige vergoeding van de gemaakte kosten.