Uitspraak
20.2355 BPW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1943, verzocht in 2005 om toekenning van een pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp), gebaseerd op het verzet van zijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit verzoek werd destijds afgewezen omdat niet was vastgesteld dat appellant ernstige levensverstoringen had ondervonden door het verzet van zijn vader. Eerder beroep werd ongegrond verklaard.
In november 2018 vroeg appellant om herziening van deze afwijzing, onder verwijzing naar nieuw onderzoek dat ook het verlenen van onderdak aan onderduikers door zijn ouders betrof. Verweerder en de Raad onderzochten dit nader, maar concludeerden dat er geen nieuwe feiten waren die tot herziening konden leiden, mede omdat de moeder niet als verzetsdeelnemer kon worden aangemerkt.
De Raad oordeelde dat het verzet van de vader weliswaar was erkend, maar dat er geen aanwijzingen waren voor een ernstige verstoring van de levensomstandigheden van appellant tijdens de oorlog. Medische adviezen bevestigden dat de naoorlogse gezinsomstandigheden een bepalende rol speelden in het psychisch functioneren van appellant. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van relevante nieuwe feiten.