ECLI:NL:CRVB:2021:2049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geen toename beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant, werkzaam als pijpfitter, meldde zich ziek in 2010 met psychische en lichamelijke klachten en ontving destijds een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV weigerde in 2012 een WIA-uitkering toe te kennen vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Latere meldingen van verslechtering in 2013 en 2014 leidden niet tot een toekenning van de uitkering.
In 2017 meldde appellant een toename van klachten en de diagnose slaapapneu (OSAS). De verzekeringsarts stelde dat de beperkingen uit PTSS en rugklachten ongewijzigd waren en dat de OSAS een nieuwe ziekteoorzaak vormde, waarvoor een wachttijd van 104 weken geldt. Het UWV weigerde opnieuw de uitkering toe te kennen, wat werd bevestigd in bezwaar en beroep.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat er geen sprake was van toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. De Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep, wijzend op het deskundigenrapport van een longarts en de vaste rechtspraak dat toegenomen arbeidsongeschiktheid uit een andere oorzaak een wachttijd met zich meebrengt.
Appellant voerde aan dat bepaalde beperkingen onderbelicht waren, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen. De Raad ziet geen aanleiding om aan de medische grondslag van het besluit te twijfelen en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.