ECLI:NL:CRVB:2021:2055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ziekte na ongeschikte re-integratie en ongeschiktheid
Appellant was sinds 2008 werkzaam bij de rechtbank Den Haag en meldde zich in 2014 ziek wegens vermoeidheids- en spanningsklachten. Na een re-integratietraject besloot het bestuur hem in 2017 te ontslaan wegens ongeschiktheid tot arbeid na twee jaar ziekte. Appellant voerde aan dat het ontslag onredelijk was vanwege te snelle re-integratie en dat hij niet onafgebroken arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat het re-integratieproces tot relevante gezondheidsschade had geleid en dat de periode van ongeschiktheid wel degelijk onafgebroken was. Tevens werd het betoog over schending van het vertrouwensbeginsel en vermeende partijdigheid verworpen.
De Raad vond dat de procedurele afhandeling, hoewel niet vlekkeloos, geen nadelige gevolgen had voor appellant. Het ontslagbesluit was rechtsgeldig genomen op basis van artikel 98 ARAR Pro. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 12 augustus 2021 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ziekte wordt bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.