ECLI:NL:CRVB:2021:2090

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2021
Publicatiedatum
19 augustus 2021
Zaaknummer
19/4850 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen spaarrekening

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over de intrekking en terugvordering van bijstand en individuele inkomenstoeslag. Appellante had een spaarrekening verzwegen, waardoor haar vermogen op het moment van aanvraag hoger was dan de geldende norm. Hierdoor had zij achteraf gezien geen recht op de verstrekte bijstand en toeslag.

Het dagelijks bestuur van Ferm Werk had vastgesteld dat het totale vermogen van appellante, inclusief het saldo van de verzwegen spaarrekening, op 13 december 2016 € 30.362,15 bedroeg. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, met de overweging dat het bestuur niet verplicht was rekening te houden met een fictieve interingsnorm, conform vaste rechtspraak.

Appellante voerde aan dat zij toch recht had op individuele inkomenstoeslag en verwees naar eerdere jurisprudentie, maar deze argumenten werden verworpen omdat de situatie niet vergelijkbaar was en onduidelijk bleef wat er met het vermogen was gebeurd. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling of rentevergoeding opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand en toeslag bevestigd.

Uitspraak

19.4850 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2019, 19/2551 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van Ferm Werk (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 10 augustus 2021
Zitting heeft: M. Hillen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: R. de Haas
Appellante, bijgestaan door mr. J.H.F. de Jong, advocaat, heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Voor het dagelijks bestuur van Ferm Werk is
mr. P.C van der Voorn verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van
13 december 2016 tot en met 31 oktober 2018 en individuele inkomenstoeslag. Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellante, inclusief het saldo van een in strijd met de inlichtingenverplichting verzwegen spaarrekening, op
13 december 2016 € 30.362,15 bedroeg, zodat appellante achteraf bezien geen recht had op bijstand en individuele inkomenstoeslag. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet gehouden was rekening te houden met een fictieve interingsnorm. Dat is vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1378).
Nu appellante in de referteperiode over relevant vermogen beschikte, bestond, anders dan appellante heeft aangevoerd, ook geen recht op individuele inkomenstoeslag.
Het beroep van appellante op de uitspraak van 2 maart 2010, ECLI:CRVB:2010:BL7266, slaagt niet, omdat de in deze uitspraak genoemde situatie niet van toepassing is op appellante. In het geval van appellante is onduidelijk gebleven wat met het vermogen is gebeurd.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten en voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R. de Haas (getekend) M. Hillen