ECLI:NL:CRVB:2010:BL7266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en bezit onroerend goed
Appellant ontving sinds 2002 bijstand en was van 10 november 2003 tot 22 oktober 2004 eigenaar van een appartement in Turkije, dat hij op die laatste datum aan een derde overdroeg. Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van vermogen boven de vrijlatingsgrens. Appellant voerde aan dat het appartement slechts € 11.500 waard was, dat het was overgedragen als schuldaflossing en dat een interingsnorm van toepassing was.
De Raad baseerde zich op een taxatierapport van de Nederlandse Ambassade dat een hogere waarde toekent aan het appartement en verwierp de stellingen van appellant over schuldaflossing wegens gebrek aan objectieve bewijsstukken. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden en dat het College terecht de bijstand introk en terugvorderde.
Verder verwierp de Raad het beroep op een interingsnorm bij intrekking van bijstand en stelde vast dat het recht op bijstand over de periode na overdracht niet kon worden vastgesteld vanwege onvoldoende onderbouwing van de besteding van de verkoopopbrengst. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.