Uitspraak
19.5188 ZVW
CAK
OVERWEGINGEN
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht CAK om terug te komen op definitieve besluiten inzake jaarafrekeningen Zvw over de jaren 2006 tot en met 2010, stellende dat nieuwe rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU daartoe aanleiding gaf. CAK wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de eerdere definitieve jaarafrekeningen onjuist waren vastgesteld, mede vanwege een onjuiste uitleg van het Unierecht in eerdere uitspraken. De Raad overwoog dat nieuwe rechtspraak in beginsel geen grond vormt voor het doorbreken van rechtens onaantastbare besluiten, tenzij sprake is van een onjuiste uitlegging door een nationale rechter zonder prejudiciële vragen. De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die herziening rechtvaardigen.
Daarnaast behandelde de Raad het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Geconstateerd werd dat de procedure bijna zes maanden langer duurde dan de redelijke termijn van vier jaar, wat een vergoeding van € 500,- rechtvaardigt. De Staat der Nederlanden werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek tot herziening af, terwijl de schadevergoeding werd toegekend wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op definitieve jaarafrekeningen is afgewezen; er is een schadevergoeding van € 500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.