ECLI:NL:CRVB:2021:1896

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2021
Publicatiedatum
30 juli 2021
Zaaknummer
19/5188 ZVW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbArtikel 3 Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op verzoek om wraking in hoger beroep bestuursrechtelijke zaak

Verzoeker heeft in hoger beroep een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter, stellende dat deze systematisch dwingend EU-recht zou hebben geschonden en dat onpartijdigheid daardoor in het geding zou zijn.

De Raad overweegt dat het enkel eerder in het ongelijk stellen van verzoeker of eerdere uitspraken over dezelfde rechtsvraag niet leiden tot een schending van onpartijdigheid. Verzoeker bracht geen feiten aan die een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid opleveren of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

Daarnaast oordeelt de Raad dat het wrakingsverzoek misbruik van het wrakingsmiddel betreft, mede omdat verzoeker dit kort voor de zitting indiende en reeds in andere procedures soortgelijke verzoeken heeft gedaan die ook niet in behandeling werden genomen.

De Raad besluit het verzoek niet in behandeling te nemen en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in dit hoger beroep eveneens niet in behandeling wordt genomen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen en toekomstige wrakingsverzoeken in deze procedure worden uitgesloten.

Uitspraak

19/5188 ZVW-W
Datum beslissing: 29 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats], België (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 oktober 2019, 17/4844
,in het geding tussen verzoeker en het Centraal Administratie Kantoor.
Op 29 juni 2021 heeft de Raad aan partijen meegedeeld dat het hoger beroep zal worden behandeld ter zitting van 30 juli 2021 door T.L. de Vries, behandelend rechter.
Op 28 juli 2021 heeft verzoeker de behandeld rechter verzocht zich te verschonen. Voor het geval de behandelend rechter geen aanleiding zou zien zich te verschonen, heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.
De behandeld rechter heeft desgevraagd te kennen gegeven geen aanleiding te zien zich te verschonen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.
3. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter in zijn uitspraken systematisch dwingend recht van de EU heeft geschonden. Daarbij heeft hij benadrukt dat het huidige geschil een verzoek om herziening betreft van besluiten waarover de behandelend rechter eerder heeft geoordeeld.
4.1.
Zoals de Raad onder meer in zijn beslissingen van 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2467 en 1 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1504 naar aanleiding van door verzoeker eerder ingediende wrakingsverzoeken al heeft overwogen, heeft onpartijdigheid van een rechter niet reeds te lijden onder de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld of dat de rechter al eerder in een of meer andere gedingen over de in geschil zijnde rechtsvraag heeft geoordeeld. Ook overigens heeft verzoeker geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die leiden tot het oordeel dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing dat de behandelend rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat bij verzoeker daartoe een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat.
4.2.
Mede gelet op de door verzoeker gehanteerde wrakingsgrond, waarvan hij weet dat deze niet kan slagen en het feit dat verzoeker slechts zeer kort voor de zitting het wrakingsverzoek heeft ingediend, wordt geconcludeerd dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid wrakingsverzoeken in te dienen. Van belang is voorts dat verzoeker in andere hoger beroepen die hij heeft ingesteld eveneens wrakingsverzoeken heeft ingediend. Deze verzoeken zijn evenmin in behandeling genomen omdat ook daarin is vastgesteld dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid om wrakingsverzoeken in te dienen. Verwezen wordt naar de beslissingen van de Raad van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:182, en van 30 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4205. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen.
4.3.
Gelet op wat onder 4.2 is overwogen bestaat tevens aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- neemt het verzoek om wraking niet in behandeling;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.J. Schaap en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2021.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P.W.J. Hospel