ECLI:NL:CRVB:2021:2103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van aanvragen vervoers- en woonvoorziening op grond van Wmo 2015 bevestigd
Appellant, met diverse lichamelijke en psychische aandoeningen, diende in 2017 aanvragen in voor een vervoersvoorziening en een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college wees deze aanvragen in 2018 af wegens het ontbreken van een duidelijke loopbeperking en het oordeel dat appellant gebruik kan maken van het openbaar vervoer en een trapvoorziening met tweede leuning voldoende is.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, waarbij zij de adviezen van Argonaut en de medische informatie als zorgvuldig en objectief beoordeelde. De brief van een GZ-psycholoog uit 2019, die appellant aanvoerde, werd door de rechtbank niet als voldoende steun gezien voor zijn psychische beperkingen in relatie tot reizen.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte de brief van de GZ-psycholoog buiten beschouwing liet en dat zijn beperkingen en de noodzaak van een vervoersvoorziening op grond van de hardheidsclausule onvoldoende werden meegewogen. De Raad oordeelde dat hoewel de rechtbank de brief niet volledig heeft betrokken, dit niet tot een ander oordeel leidt. De medische adviezen en het ontbreken van nieuwe gronden rechtvaardigen de bevestiging van de eerdere uitspraak.
De Raad concludeert dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet met het openbaar vervoer kan reizen of dat de trapvoorziening onvoldoende is. Ook de technische haalbaarheid van de woonvoorziening is niet aannemelijk betwist. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvragen voor vervoers- en woonvoorziening.