Uitspraak
OVERWEGINGEN
1 april 2014 toegewezen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft vanaf april 2009 studiefinanciering ontvangen en op 4 maart 2016 een verzoek ingediend om het inkomen van zijn vader niet mee te rekenen bij de aanvullende beurs. De minister heeft dit verzoek toegewezen met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2014. Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum, stellende dat hij al in 2009 en 2011 verzoeken tot loskoppeling had ingediend, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet kon aantonen dat eerdere verzoeken waren ingediend. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt vast dat appellant geen bewijs heeft geleverd van eerdere aanvragen of van het indienen van verklaringen die als verzoek tot loskoppeling konden worden aangemerkt. De toekenning van een maximale rentedragende lening sinds 2009 betekent niet dat een loskoppelingverzoek was ingediend.
Verder oordeelt de Raad dat op grond van de wettelijke bepalingen een verzoek tot loskoppeling niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend vóór 1 april 2014. De hardheidsclausule biedt geen ruimte voor een uitzondering op deze terugwerkende kracht. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ingangsdatum van 1 april 2014 voor de toewijzing van het verzoek tot loskoppeling wordt bevestigd.