ECLI:NL:CRVB:2021:2114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over verkorte wachttijd WIA-uitkering na CVA
Betrokkene, sinds 2002 werkzaam bij werkgeefster, meldde zich ziek na een CVA in maart 2017 en vroeg in juni 2018 een WIA-uitkering met verkorte wachttijd aan. Het UWV wees dit in augustus 2018 af omdat herstel nog mogelijk zou zijn. Het bezwaar werd in februari 2019 ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg bevestigde dit in maart 2020, uitgaande van een datum in geding van 17 augustus 2018, en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat verbetering van de belastbaarheid niet was uitgesloten.
In hoger beroep stelden betrokkene en werkgeefster dat op de datum in geding geen verbetering meer mogelijk was, onderbouwd met medische rapporten van een revalidatiearts en medisch adviseur. Het UWV handhaafde het standpunt dat de IVA-uitkering niet eerder dan 27 augustus 2018 kon ingaan.
De Raad stelde vast dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat er op de datum in geding nog verbetermogelijkheden waren. De medische eindsituatie was volgens de revalidatiearts op 13 juni 2018 bereikt, los van de rugklachten die nog behandeld konden worden. Het UWV had niet adequaat gereageerd op deze informatie en had de revalidatiearts moeten consulteren bij onduidelijkheden.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de verkorte wachttijd voor de WIA-uitkering af te wijzen wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.