Appellant, directeur van een kinderopvangorganisatie, meldde zich ziek met neurologische klachten en vroeg om een IVA-uitkering met verkorte wachttijd vanaf 11 januari 2019. Het UWV weigerde deze omdat niet werd aangenomen dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Na benoeming van deskundigen kwam de rechtbank tot het oordeel dat herstel van belastbaarheid niet uitgesloten was en wees het beroep af.
Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het oordeel van de rechtbank en de motivering van de verzekeringsarts Grob-Braber onvoldoende vond. De Raad stelde vast dat de medische beperkingen duurzaam en volledig waren en dat het UWV geen deugdelijke motivering had gegeven voor de weigering.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het besluit van 18 januari 2019, en bepaalde dat appellant met ingang van 11 januari 2019 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.