ECLI:NL:CRVB:2021:2130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende belastbaarheid als schoonmaker
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker voor 30 uur per week, meldde zich op 2 juli 2018 ziek met psychische en knieklachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant per die datum hersteld was en geen recht had op een Ziektewetuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanleiding bestond om de vastgestelde belastbaarheid te betwijfelen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er verschillende visies waren tussen zijn behandelend psycholoog en de UWV-verzekeringsartsen, en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat de rechtbank de beroepsgronden afdoende had besproken en dat appellant geen nieuwe medische informatie had ingebracht die aanleiding gaf tot een ander oordeel.
De Raad benadrukte dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden en dat het financieel onvermogen van appellant geen reden was voor aanvullend onderzoek. De conclusie is dat appellant per 2 juli 2018 in staat was de werkzaamheden als schoonmaker te verrichten en dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering beëindigde. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 2 juli 2018 in staat was om als schoonmaker te werken en dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.