ECLI:NL:CRVB:2021:2130

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 augustus 2021
Publicatiedatum
25 augustus 2021
Zaaknummer
20/1477 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende belastbaarheid als schoonmaker

Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker voor 30 uur per week, meldde zich op 2 juli 2018 ziek met psychische en knieklachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant per die datum hersteld was en geen recht had op een Ziektewetuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanleiding bestond om de vastgestelde belastbaarheid te betwijfelen.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat er verschillende visies waren tussen zijn behandelend psycholoog en de UWV-verzekeringsartsen, en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat de rechtbank de beroepsgronden afdoende had besproken en dat appellant geen nieuwe medische informatie had ingebracht die aanleiding gaf tot een ander oordeel.

De Raad benadrukte dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden en dat het financieel onvermogen van appellant geen reden was voor aanvullend onderzoek. De conclusie is dat appellant per 2 juli 2018 in staat was de werkzaamheden als schoonmaker te verrichten en dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering beëindigde. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 2 juli 2018 in staat was om als schoonmaker te werken en dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.

Uitspraak

20 1477 ZW

Datum uitspraak: 25 augustus 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 april 2020, 18/8244 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 14 juli 2021. Namens appellant is mr. De Witte verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker scholen voor 30 uur per week. Zijn dienstverband is op 16 augustus 2016 geëindigd. Vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft appellant zich op 2 juli 2018 ziek gemeld met psychische klachten en knieklachten.
1.2.
Op 15 augustus 2018 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 2 juli 2018, subsidiair per 15 augustus 2018, hersteld geacht voor zijn laatst verrichte arbeid als schoonmaker scholen. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2018 vastgesteld dat appellant per 2 juli 2018 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 december 2018 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat de uitkomst hiervan onjuist te achten. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat zij aandacht heeft besteed aan alle klachten van appellant en geen klachten over het hoofd heeft gezien. De door appellant in bezwaar ingediende medische informatie, in het bijzonder de brief van zijn behandelend
GZ-psycholoog van 14 november 2018, is meegenomen in de beoordeling. De rechtbank is niet gebleken van een duidelijk verschil van inzicht tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de behandelend psycholoog. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij appellant geen sprake van ernstige psychopathologie die het verrichten van de eigen arbeid in de weg staat. Uit de brief van de psycholoog blijkt dat appellant last heeft van reactieve depressies als gevolg van een veelheid van psychosociale problematiek. Uit de brief blijkt niet dat appellant te maken heeft met een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. Dat appellant volgens de psycholoog niet in staat is om te solliciteren of werk te zoeken en dus ook niet zou kunnen werken, leidt niet tot een ander oordeel. Het is namelijk de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts om op grond van de beschikbare gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. De door de psycholoog benoemde uitslag van de IQ-test van appellant maakt het voorgaande niet anders omdat appellant eerder met dit IQ in staat was zijn werk als schoonmaker te verrichten. Het door appellant overgelegde sociaal medisch advies van een GGD-arts van 8 augustus 2019 leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt hierbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het in een rapport van 24 december 2019 ingenomen standpunt. Het sociaal medisch advies dateert van een jaar na de datum hier in geding en is opgesteld voor een ander doel, namelijk in het kader van de schuldhulpverlening. Afgezien daarvan kunnen uit het advies geen andere of verdergaande (objectieve) stoornissen en daarmee gepaard gaande beperkingen worden afgeleid dan waar het Uwv al vanuit is gegaan. Ten slotte is ten aanzien van de aangenomen beperkingen geen gericht onderzoek gedaan naar de invloed daarvan op de belastbaarheid voor arbeid. Dat de door de GGD-arts geconstateerde stoornissen tot de conclusie moeten leiden dat appellant niet in staat is werkzaamheden te verrichten, is onvoldoende onderbouwd. Omdat er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen voor het laten verrichten van een nader medisch onderzoek. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant per 2 juli 2018 in staat moet worden geacht de werkzaamheden van schoonmaker te verrichten. Het Uwv heeft terecht besloten appellant geen ZW-uitkering toe te kennen per die datum.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn behandelend psycholoog en de GGD-arts enerzijds en de Uwv-verzekeringsartsen anderzijds verschillende visies hebben op zijn mogelijkheden en beperkingen en dat het daarom voor de hand ligt een deskundige te raadplegen. Appellant verzoekt de Raad dit alsnog te doen. Appellant kan dit zelf niet betalen wegens schulden en onderbewindstelling.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Voor appellant geldt dat dit het werk als schoonmaker scholen is.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellant. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. In hoger beroep heeft appellant geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft tot een ander oordeel over zijn belastbaarheid op de datum in geding, te weten 2 juli 2018.
4.3.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad en deze gelegenheid ook gebruikt om wat de verzekeringsartsen hebben aangevoerd ter onderbouwing van het bestreden besluit te weerleggen. Van schending van het beginsel equality of arms is dan ook geen sprake. Het arrest Korošec van 8 oktober 2015 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) brengt niet met zich mee dat het beginsel van equality of arms geschonden is indien niet alle door appellant gewenste onderzoeken naar zijn beperkingen zijn verricht (zie de uitspraak van de Raad van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:157). Onder de deze omstandigheden behoeft het standpunt van appellant omtrent zijn financieel onvermogen geen bespreking.
4.4.
De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2021.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) L. Winters