ECLI:NL:CRVB:2021:2133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen verjaring terugvordering WAO-uitkering na erkenning schuld en stuiting
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een beslissing van het UWV over de terugvordering van een te veel betaalde WAO-uitkering. Het UWV stelde dat de vordering niet verjaard was omdat de appellant de schuld had erkend en de verjaring rechtsgeldig was gestuit.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de verjaring was gestuit door een schriftelijke herinnering van het UWV en door de maandelijkse aflossingen van appellant, die zelf een betalingsvoorstel had gedaan. Appellant voerde in hoger beroep aan dat geen sprake was van erkenning en dat de verrekening niet was aangetoond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de erkenning van de schuld door appellant vaststaat, onder meer door het ondertekende betalingsvoorstel en de daaropvolgende maandelijkse aflossingen. Hierdoor is de verjaring rechtsgeldig gestuit en faalt het beroep op verjaring. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugvordering niet is verjaard vanwege erkenning van de schuld en stuiting van de verjaring.