ECLI:NL:CRVB:2021:2142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaalde WAO-uitkeringsaanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft een herhaalde aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering, nadat het UWV eerder had geweigerd haar een uitkering toe te kennen. Zij stelde dat haar psychische en lichamelijke klachten waren toegenomen en dat eerdere beslissingen onjuist waren. Het UWV wees het verzoek af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de medische stukken niet leidden tot een inhoudelijke herbeoordeling als ware het een eerste aanvraag, maar dat het ging om een toetsing aan de criteria van artikel 4:6 Awb Pro. De medische informatie van appellante bevatte geen nieuwe feiten die een heropening van de uitkering rechtvaardigden.
De Raad benadrukte dat de beoordeling zorgvuldig en volledig was uitgevoerd door het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De stellingen van appellante over een toename van beperkingen werden niet onderbouwd met voldoende medische gegevens. Ook werd bevestigd dat de aanvraag moest worden gezien als een verzoek om een Amber-beoordeling, welke terecht werd afgewezen.
Gelet op de beschikbare gegevens was er geen aanleiding om het besluit van het UWV te herroepen of als evident onredelijk te beoordelen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde WAO-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.