Uitspraak
21.480 AW
OVERWEGINGEN
4.4. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. De korpschef was dan ook bevoegd om appellant een disciplinaire straf op te leggen.
4.5. De disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag is, gezien de ernst en aard van de gedragingen, de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de organisatie en de terecht door de korpschef gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid aan ambtenaren, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.