Appellant diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, welke door het UWV werd afgewezen omdat hij op zijn 18e verjaardag niet in Nederland of een EU/EER-land woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant pas na zijn 18e verjaardag in Nederland kwam wonen en geen duurzame persoonlijke band met Nederland had op dat moment.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij al voor zijn 18e verjaardag een duurzame band met Nederland had, onder meer vanwege een procedure bij de UNHCR en het feit dat zijn broer in Nederland woonde en studeerde. De Centrale Raad oordeelde echter dat de band met Nederland voorafgaand aan zijn 18e verjaardag niet duurzaam of van persoonlijke aard was, maar slechts bestond uit een lopende procedure voor vestiging.
De Raad bevestigde dat appellant op zijn 18e verjaardag geen ingezetene was in de zin van de Wajong en dat het UWV terecht zijn aanvraag heeft afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bekrachtigd.