ECLI:NL:CRVB:2021:2171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet tijdig overleggen gevraagde gegevens
Appellant ontving sinds december 2017 bijstand op grond van de Participatiewet. In september 2018 werd hij verzocht om verschillende stukken, waaronder bankafschriften van betaal- en spaarrekeningen, te overleggen. Na het niet volledig aanleveren van deze stukken werd het recht op bijstand opgeschort en later ingetrokken.
Appellant leverde op 26 september 2018 stukken in, maar leverde niet alle gevraagde documenten, met name de afschriften van zijn spaarrekening ontbraken. Hij stelde dat hij alles had ingeleverd en verwees naar een ontvangstbewijs waarop 'bankafschriften' was aangekruist. De Raad oordeelde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat ook de spaarrekeningafschriften waren ingeleverd.
Appellant voerde aan dat hij dyslexie heeft en daarom de brieven niet goed kon begrijpen, en dat de gemeente de stukken zonder protest had geaccepteerd. De Raad verwierp dit verweer omdat appellant zijn dyslexie niet had onderbouwd en het op zijn weg lag tijdig hulp te zoeken. De baliemedewerker had geen plicht om appellant te wijzen op ontbrekende stukken.
De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar heeft verzuimd de gevraagde stukken tijdig te overleggen en bevestigde de intrekking van de bijstand met ingang van 14 september 2018. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet tijdig overleggen van gevraagde stukken wordt bevestigd.