Uitspraak
19.2764 AOW, 19/3071 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant en appellante zijn sinds 1985 gehuwd en wonen sinds 1998 op verschillende adressen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees appellante in 2015 op het niet indienen van een AOW-aanvraag, waarna zij in 2018 alsnog een aanvraag deed. De Svb kende het ouderdomspensioen toe met ingang van mei 2017, met terugwerkende kracht van één jaar.
Na bezwaar stelde de Svb vast dat appellanten niet duurzaam gescheiden leven, mede op basis van verklaringen, formulieren en een hoorzitting. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de Svb terecht geen verdere terugwerkende kracht toekende.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij al twintig jaar duurzaam gescheiden leven en dat appellante recht heeft op een ouderdomspensioen vanaf maart 2015 vanwege onjuiste voorlichting. De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven niet aannemelijk is omdat feitelijk contact en financiële zorg door appellant blijven bestaan.
Verder is geen sprake van een bijzonder geval dat een verdere terugwerkende kracht rechtvaardigt. De Raad bevestigt dat de Svb terecht het pensioen beperkt heeft tot een terugwerkende kracht van één jaar, mede omdat appellante tijdig is geïnformeerd en geen sprake is van onjuiste of onvolledige voorlichting.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten niet duurzaam gescheiden leven en dat de Svb de terugwerkende kracht van het ouderdomspensioen terecht beperkt heeft tot één jaar.